Eindejaarstips 2021 deel 3

Tips voor alle belastingplichtigen

1. Maak nog gebruik van de vrijgestelde schenkingen aan (klein)kinderen of derden
In 2021 kun je nog gebruik maken van de (in verband met de coronacrisis eenmalig verhoogde) jaarlijkse schenkingsvrijstelling aan kinderen, kleinkinderen of derden. De vrijstellingsbedragen zijn in 2021:
– € 6.604 voor schenkingen aan kinderen
– € 3.244 voor schenkingen aan kleinkinderen en derden.

Voor kinderen tussen 18 en 40 jaar geldt een eenmalige verhoging van voornoemd bedrag van
€ 6.604 tot:
– € 26.881
– € 55.996 indien de schenking voor een studie wordt aangewend
– € 105.302 indien de schenking voor een eigen woning wordt aangewend.

Aandachtspunten:
– De jaarlijks vrijgestelde schenkingsbedragen aan kinderen, kleinkinderen en derden zijn in 2021 eenmalig verhoogd (i.v.m. de coronacrisis). In 2022 zal deze verhoging weer vervallen.
– De eenmalige schenking van € 105.302 ten behoeve van de eigen woning geldt niet alleen voor eigen kinderen, maar geldt ook voor andere personen (derden).
– Een schenking die je nog in 2021 doet, vermindert het vermogen in box 3 en daarmee de box 3 heffing.
– Mocht je kind niet aan de leeftijdsvoorwaarde voldoen, maar de partner is wel tussen de 18 en 40 jaar, dan kan alsnog een schenking gedaan worden.

2. Zaken voor persoonlijk gebruik nog dit jaar aanschaffen
In box 3 geldt een vrijstelling voor roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden gebruikt of verbruikt worden. Voorbeelden van dergelijke roerende zaken zijn:
– een auto
– een boot of caravan
– inboedel
– sieraden

Indien je nog voor 1 januari 2022 een voorgenomen aanschaf van dergelijke (waardevolle) roerende zaken hebt betaald, dan vermindert dit het vermogen in box 3 en daarmee de box 3 heffing.

De Belastingdienst kan zich bij dergelijke aankopen op het standpunt stellen dat de zaken hoofdzakelijk ter belegging zijn aangeschaft. Zij zal dit dan ook aannemelijk moeten maken. Lukt dit, dan zijn deze zaken niet vrijgesteld in box 3. Ook als de zaken tevens persoonlijk worden gebruikt.

Tips voor IB-ondernemers

1. Boekwinst bij verkoop bedrijfsmiddelen: vorm een herinvesteringsreserve
Indien een bedrijfsmiddel wordt verkocht met boekwinst, dan kan de belastingheffing over de boekwinst worden uitgesteld door voor deze boekwinst een herinvesteringsreserve (HIR) te vormen.

Voor het vormen en aanwenden van een herinvesteringsreserve gelden enkele voorwaarden:
– per balansdatum is er een herinvesteringsvoornemen en dit blijft ook bestaan. Dit voornemen moet – op verzoek – aannemelijk worden gemaakt aan de Belastingdienst door bijvoorbeeld offertes op te vragen.
– de HIR mag gedurende maximaal drie jaar na het jaar waarin het bedrijfsmiddel is verkocht op de balans staan.
– wordt binnen de driejaarstermijn in een ander bedrijfsmiddel geïnvesteerd, dan moet de HIR worden afgeboekt op de aanschafprijs van het nieuwe bedrijfsmiddel.
– indien niet binnen de driejaarstermijn wordt geherinvesteerd dan valt de HIR vrij in de winst aan het eind van jaar drie.
– het herinvesteringsvoornemen moet je op de balansdatum aan de Belastingdienst kunnen laten zien. Je kunt dit doen door bijvoorbeeld offertes op te vragen en advies in te winnen over een vervangend bedrijfsmiddel.
– daarnaast kan je een HIR alleen afboeken op investeringen die je in 10 jaar of langer afschrijft (bijvoorbeeld: een nieuw bedrijfsgebouw) als deze is gevormd voor de boekwinst uit een economisch identiek bedrijfsmiddel (bijvoorbeeld: het oude bedrijfsgebouw).

2. HIR op balans? Let op de herinvesteringstermijn
Een in het verleden gevormde herinvesteringsreserve (HIR) moet drie jaar na vorming worden aangewend. Een in 2018 gevormde HIR moet vóór 31 december 2021 worden benut. Wordt niet tijdig geïnvesteerd – je moet de aankoopverplichting kunnen aantonen! – dan valt de HIR vrij in winst van 2021 en wordt hierover inkomstenbelasting geheven.

Er gelden twee uitzonderingen op de driejaarstermijn.
1. de aard van het bedrijfsmiddel vereist meer herinvesteringstijd. Een voorbeeld zijn bedrijfsgebouwen, waarbij (langlopende) vergunning trajecten spelen.
2. bijzondere omstandigheden die de aankoop vertragen. Je dient de vertragende omstandigheden alsmede het begin van de uitvoering van de aankoop op verzoek aan te tonen.

De coronacrisis is door de wetgever als een bijzondere omstandigheid aangemerkt. Indien de afgelopen jaren een HIR is gevormd, er een begin van uitvoering is gemaakt met herinvesteren, maar is dit door de coronacrisis vertraagd, dan zal dit in veel gevallen betekenen dat na het derde jaar na vorming van de HIR deze toch niet vrijvalt in de winst. Verzoek in dat geval bij de belastingdienst om een verlenging van de herinvesteringstermijn. Jouw Baat adviseur adviseert hierbij natuurlijk graag.

Tips voor BV en DGA

1. Is een fiscale eenheid voor de Vpb nog interessant?
Is er in jouw BV-structuur sprake van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, dan is een nadere beoordeling van de voor- en nadelen hiervan raadzaam. Bij een fiscale eenheid wordt de verschuldigde vennootschapsbelasting over de resultaten van alle in de eenheid gevoegde vennootschappen samen berekend. Het (toenemende) verschil tussen het lage en het hoge tarief in de vennootschapsbelasting maakt belastingheffing op het niveau van iedere BV afzonderlijk steeds voordeliger. Bedroeg het tariefverschil in 2021 nog 10%, in 2022 bedraagt dit verschil 10,8%-punt (15% respectievelijk 25,8%). Het lage tarief gold in 2021 voor de eerste € 245.000 winst. Vanaf 2022 wordt 15% geheven over de eerste € 395.000 winst! Is er geen sprake meer van een fiscale eenheid dan kan iedere BV zelfstandig gebruik maken van het tariefsopstapje.

Het verbreken van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting is niet mogelijk met terugwerkende kracht. Wil je de fiscale eenheid vanaf 1 januari 2022 verbreken, dan dient het verzoek voor die datum door de belastingdienst zijn ontvangen.

Het verbreken van een fiscale eenheid moet zorgvuldig worden overwogen. Een verbreking kan namelijk ongewenste gevolgen hebben. Zijn er bijvoorbeeld in de zes kalenderjaren voor de verbreking vermogensverschuivingen tussen de gevoegde vennootschappen geweest, dan zal over eventuele stille reserves hierin moeten worden afgerekend.

2. Verliesrekening wijzigt vanaf 2022, zorg voor optimalisatie
De verliesverrekening in de vennootschapsbelasting wijzigt wederom. Vanaf 2022 wordt de verrekening van verliezen gemaximeerd op € 1.000.000 plus 50% van de belastbare winst boven
€ 1.000.000. Bij een winst van € 3.000.000 kan derhalve € 2.000.000 aan verlies verrekend worden. Dit geldt zowel voor de voorwaartse als de achterwaartse verliesverrekening, waarbij de achterwaartse verliesverrekening nog steeds één jaar blijft. De maximering van het te verrekenen verlies heeft als voordeel dat de voorwaartse verliesverrekening onbeperkt in de tijd mogelijk wordt gemaakt (i.p.v. de huidige zes jaar) voor alle verliezen die per 2022 nog verrekenbaar zijn. Dat betekent concreet dat de onbeperkte verliesverrekening naar de toekomst voor alle verliezen vanaf 2013 geldt.

Is in 2021 sprake van een nog niet verrekend verlies uit 2012, dan kan alleen nog dit jaar verrekening plaatsvinden. Om verdamping van dit verlies te voorkomen, is het raadzaam de mogelijkheden van winstneming te beoordelen (bijvoorbeeld door verkoop van een bedrijfsmiddel aan een derde of binnen je eigen BV-structuur).

Tips voor werkgevers

1. Transitievergoeding en voorziening
Ligt het in de lijn der verwachtingen, bijvoorbeeld als gevolg van de coronacrisis, dat je een of meerdere werknemers (op termijn) zal moeten ontslaan, dan is bij een dergelijk onvrijwillig ontslag een transitievergoeding verschuldigd. De hoogte van de transitievergoeding wordt gerelateerd aan het aantal dienstjaren van de werknemer bij jou als werkgever alsmede de hoogte van het salaris. De vergoeding is in 2021 gemaximeerd op € 84.000 of een bruto jaarsalaris, indien dit meer is dan voornoemd bedrag.

In een dergelijke situatie is het mogelijk een voorziening te vormen voor een transitievergoeding. Op deze wijze kan met toekomstige uitgaven voor transitievergoedingen reeds in 2021 rekening worden gehouden. Voor het bepalen van de voorziening moet gekeken worden naar de te verwachten kosten en wanneer deze uitgaven waarschijnlijk moeten worden gedaan. Daarnaast moet er een redelijke mate van zekerheid bestaan dat de transitievergoedingen betaald moeten worden.

2. Vraag tijdig WBSO aan
De WBSO is er voor werkgevers die innovatieve activiteiten verrichten. Via de WBSO kan een korting op de af te dragen loonheffingen worden verkregen in de vorm van een percentage van de gemaakte kosten. Deze kosten die hiervoor meetellen zijn:
– de direct aan de innovatie toerekenbare salariskosten
– de overige toerekenbare kosten van innovatie.

De WBSO moet voor aanvang van de innovatieve activiteiten online worden aangevraagd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (rvo.nl). Je vraagt de WBSO aan per kalenderkwartaal. Aanvragen voor het eerste kwartaal 2022 moeten uiterlijk 20 december 2021 zijn ingediend.

Tips voor automobilisten

1. Lage(re) bijtelling vervalt na 60 maanden
Zoals waarschijnlijk bekend vervalt een lagere bijtelling voor een auto van de zaak na een termijn van maximaal 60 maanden. Stel dat je op 1 maart 2017 een elektrische auto van de zaak met (slechts) 4%-bijtelling op kenteken hebt gezet, dan vervalt de lage bijtelling dus per 1 maart 2022. Vanaf die datum gelden de regels van 2022: 16% tot een cataloguswaarde van € 35.000 en 22% over het meerdere.

Ben je dga? Dan weegt het overbrengen van de auto naar privé wellicht op tegen deze hogere bijtelling. Rijd je de auto privé dan vervalt de bijtelling en mag door de BV voor alle zakelijk gereden kilometers alsmede woon-werk kilometers een onbelaste kostenvergoeding van € 0,19 worden gegeven. Alle autokosten dienen dan wel privé te worden betaald. Bij het overbrengen van de auto naar het privé vermogen moet ook worden gelet op btw en bpm-aspecten.

Wil je de auto zakelijk blijven rijden maar de bijtelling toch vermijden, dan kan dit – indien praktisch mogelijk – door vanaf 1 januari 2022 een sluitende kilometerregistratie bij te houden waaruit blijkt dat met de auto op jaarbasis maximaal 500 kilometer privé is gereden.

Tips voor woningeigenaren

1. Verhuur van tweede woning aan kinderen
Ouders met voldoende vermogen kunnen de woning-stress van hun kinderen – die nauwelijks een betaalbare huur- of koopwoning kunnen vinden – verlichten. Een woning die door ouders wordt gekocht en vervolgens wordt verhuurd aan hun kinderen heeft daarnaast ook nog enkele fiscale voordelen. De WOZ-waarde van de woning (met korting, zie hierna) behoort tot box 3, waardoor een eventuele waardestijging onbelast is. Ook de afgesproken zakelijke huur is onbelast en afhankelijk van de hoogte van de huur bestaat er voor de kinderen mogelijk recht op huurtoeslag. Mocht de huur ondanks eventuele huurtoeslag nog te hoog zijn voor jouw kinderen, dan kan een gedeelte van de huur terug worden geschonken door de jaarlijks onbelaste schenkingsvrijstelling van ouders aan kinderen van € 6.604 per kind te benutten.

Omdat de woning wordt verhuurd mogen de ouders nog een korting toepassen op de WOZ-waarde, de zogenaamde leegwaarderatio. De van toepassing zijnde korting is afhankelijk van de verhouding jaarhuur ten opzichte van de WOZ-waarde. Bedenk wel dat de aankoop van een dergelijk beleggingspand vanaf 2021 belast is met 8% overdrachtsbelasting.

Tips voor BTW

1. Herzieningstermijnen voor (on)roerende zaken: mogelijk btw-correctie
Een onroerende zaak moet na aanschaf – voor de btw – gedurende tien jaar worden gevolgd. Heb je de btw bij aanschaf volledig afgetrokken, dan zal in het jaar van aanschaf en de negen daarop volgende jaren deze btw mogelijk moeten worden gecorrigeerd. Correctie is aan de orde als de verhouding van het gebruik van de onroerende zaak voor btw-belaste tegenover btw-vrijgestelde prestaties is gewijzigd ten opzichte van het initieel veronderstelde gebruik bij aanschaf. De correctie moet worden meegenomen in het laatste btw-tijdvak van het jaar.

Als in roerende bedrijfsmiddelen wordt geïnvesteerd geldt eveneens een herzieningstermijn. Deze is de helft minder dan bij onroerende zaken, namelijk vijf jaren: het jaar van ingebruikname en de vier jaren daarna.