Samenvatting Belastingplan 2021

Bekijk hier de Baat Prinsjesdagspecial.

In onderstaande samenvatting vindt u een eerste, snelle overzicht van de maatregelen zoals die zijn benoemd in het Belastingplan 2021 en de daarbij behorende wetsvoorstellen:

– het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2021;
– het wetsvoorstel Wet aanpassing box 3;
– het wetsvoorstel Wet differentiatie overdrachtsbelasting;
– het wetsvoorstel Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen;
– het wetsvoorstel Wet CO2-heffing industrie;
– het wetsvoorstel ODE-tarieven 2021 en 2022; en
– het wetsvoorstel eenmalige huurverlaging huurders met lager inkomen.

Pakket Belastingplan 2021
In het pakket Belastingplan 2021 staan extra maatregelen om economische groei in deze coronacrisis te stimuleren. Tegelijkertijd biedt het kabinet ook perspectief voor de periode daarna. Het kabinet gaat door met hervormingen, met maatregelen voor een beter, eerlijker en groener belastingstelsel.
In het Belastingplan 2021 staan onder andere de volgende maatregelen.

Maatregelen in verband met corona
➢ Mensen die in deze crisis hun baan verliezen, moeten zich zo makkelijk mogelijk kunnen omscholen. Daarom betalen werkgevers voortaan geen loonheffing meer voor scholingskosten gemaakt ná het beëindigen van het dienstverband.

➢ De eerder aangekondigde verlaging van het hoge tarief van de vennootschapsbelasting gaat niet door, waardoor dit tarief op 25% blijft.

➢ Het kabinet stimuleert bedrijven om investeringen te doen met een nieuwe investeringskorting vanaf 2021, de baangerelateerde investeringskorting (BIK). Als bedrijven een investering doen, zoals de aankoop van een nieuwe machine, krijgen ze een korting die ze kunnen verrekenen via de loonheffing. Details van de regeling worden nog verder uitgewerkt.

➢ De verlaging van het lage Vpb-tarief van 16,5% naar 15% gaat wel door. Vanaf 2021 geldt het lage tarief voor winsten tot € 245.000 in plaats van € 200.000. In 2022 zal deze grens verder verhoogd worden naar € 395.000.

Maatregelen voor ons allemaal
➢ Het kabinet verbetert de toegang voor starters tot de woningmarkt. Vanaf 2021 betalen huizenkopers van 18 tot 35 jaar geen overdrachtsbelasting meer. Beleggers gaan juist meer betalen: van 6% naar 8%.

➢ Spaarders en kleine beleggers met een vermogen tot € 50.000 (of € 100.000 met fiscaal partner) betalen vanaf 2021 geen belasting meer over dat vermogen. Het tarief van de belasting gaat wel iets omhoog van 30% naar 31%. Het aantal kleine spaarders en beleggers dat box 3-belasting betaalt daalt hierdoor met bijna 1 miljoen mensen. En het betekent dat iedereen met spaargeld of belegd vermogen tot € 220.000 (of € 440.000 met fiscaal partner) daarover minder belasting gaat betalen.

➢ Door de verhoging van de arbeidskorting uit 2022 een jaar naar voren te halen, gaat werken komend jaar meer lonen. Zowel werknemers als zelfstandigen profiteren hiervan. Deze verhoging komt bovenop een al eerder geplande verhoging voor 2021. Ook de algemene heffingskorting wordt extra verhoogd met € 22, bovenop de € 60 die al gepland was. In 2021 daalt het basistarief in de inkomstenbelasting van 37,35% naar 37,10%. Het kabinet verlaagt dit tarief tussen 2022 en 2024 verder, tot uiteindelijk 37,03%. Tot slot wordt ook de ouderenkorting verhoogd.

Belastingen voor ondernemers
➢ De zelfstandigenaftrek wordt verder verlaagd. Het kabinet compenseert dit, zodat de meeste zelfstandigen er volgend jaar nog steeds op vooruit gaan (arbeidskorting en wijziging inkomstenbelasting). Het kabinet bouwt de zelfstandigenaftrek sneller en sterker af, bovenop de stappen die vorig jaar al zijn ingezet. Vanaf volgend jaar wordt de aftrek jaarlijks verlaagd; totdat deze in 2036 uitkomt op € 3.240. Dit was oorspronkelijk € 5.000 in 2028. Hiermee worden de verschillen in belastingdruk tussen werknemers en zelfstandigen verminderd.

➢ Multinationals zullen volgens het kabinet eerlijker worden belast, met oog voor het vestigingsklimaat. Nu kan het gebeuren dat bedrijven die in Nederland winst maken hier geen belasting betalen dankzij verrekening van verliezen of van bepaalde aftrekposten. Juist in economisch zware tijden is het belangrijk dat sommige bedrijven niet méér mogelijkheden hebben om hun belastingdruk te verlagen dan andere. Dit wordt daarom aangepakt met twee maatregelen uit het advies van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals (Commissie Ter Haar). Te weten:

A. Het verrekenen van verliezen bij bedrijven wordt per 2021 beperkt; dit levert structureel € 555 miljoen op. De vennootschapsbelasting die door bedrijven wordt betaald is hierdoor constanter en de groep bedrijven die in een jaar helemaal geen belasting betaalt, wordt kleiner.

B. Zogenaamde informeel kapitaalstructuren worden per 2022 aangepakt, dit levert structureel € 173 miljoen op. Via deze structuren kunnen bedrijven binnen een concern belasting ontwijken door gebruik te maken van verschillen tussen belastingstelsels. Dit is onwenselijk en wordt aangepast.

➢ Ook onderzoekt het kabinet het fiscaal gelijker behandelen van vreemd en eigen vermogen. Bedrijven financieren nu veel met leningen en zijn daardoor kwetsbaar. Lenen (vreemd vermogen) wordt nu fiscaal bevoordeeld. Onderzocht wordt of dit met een vermogensaftrek effectief kan worden aangepakt, waarbij het aanscherpen van een generieke renteaftrekbeperking (earningsstrippingmaatregel) zal worden meegenomen.

➢ Het wetsvoorstel liquidatie- en stakingsverliesregeling is naast het Belastingplan 2021 op Prinsjesdag ook naar de Tweede Kamer gestuurd. Hiermee komt per 2021 een einde aan het onbeperkt aftrekken van bepaalde verliezen in Nederland bij het beëindigen van bedrijfsactiviteiten in het buitenland.

Klimaatbelastingen
➢ In het Klimaatakkoord is afgesproken dat industriële bedrijven worden gestimuleerd om te investeren om minder CO2 uit te stoten. Als bedrijven alsnog te veel CO2 uitstoten, gaan ze een CO2-heffing betalen. De heffing is zo ontworpen dat het doel in 2030 behaald wordt terwijl tegelijkertijd de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven, en Nederland als vestigingsland, behouden blijft.
Hoe efficiënter een bedrijf produceert, hoe minder heffing het hoeft te betalen.

Alleen de bedrijven die de afgesproken vermindering in CO2 niet realiseren, riskeren een heffing in 2030 van € 125 per ton teveel uitgestoten CO2, volgens de huidige inzichten. Het tarief wordt bij nieuwe inzichten herijkt, na herberekening door PBL. In de CO2-heffing wordt rekening gehouden met de gevolgen van de coronacrisis voor de industrie. Naar verwachting gaat de industrie als geheel in 2024 voor het eerst voor de uitstoot betalen, behalve als ze voldoende reductiemaatregelen nemen. Bedrijven die niet voldoende efficiënt produceren betalen al eerder voor hun uitstoot.

➢ De autobelastingen worden aangepast aan de scherpere milieueisen. De stroom bij oplaadpunten voor elektrische auto’s blijft relatief goedkoop tot en met 2022. Voor schepen wordt het aantrekkelijker om gebruik te maken van milieuvriendelijkere walstroom (in plaats van eigen generatoren) door verlaging van het tarief voor walstroom.

Toeslagen
Het kabinet werkt aan verbeteringen in het toeslagenstelsel. In het Belastingplan staan voorstellen om dat te bereiken: een eerlijker stelsel, met meer oog voor de menselijke maat. De voorstellen regelen dat de positie van mensen met een toeslag ten opzichte van de Belastingdienst/Toeslagen, verbetert. Ook kan de Belastingdienst/Toeslagen straks beter maatwerk bieden aan mensen die teveel ontvangen toeslagen moeten terugbetalen. En er wordt meer rekening gehouden met de persoonlijke situatie. Zo kunnen mensen meer kinderopvangtoeslag krijgen als hun echtgenoot in een verpleeghuis is opgenomen. Dit zijn eerste stappen op weg naar verbetering. In de toekomst zullen verdere maatregelen worden genomen om te voorkomen dat ouders in de knel komen door het toeslagenstelsel.

In het kort: Wat zijn de gevolgen voor bedrijven en ondernemers?

Belastingzaken
➢ Tarief innovatiebox omhoog naar 9%
➢ Basistarief inkomstenbelasting in 2021 omlaag
➢ Hoger ODE-tarief voor gas en elektriciteit vanaf 2021
➢ Overdrachtsbelasting stijgt naar 8% in 2021
➢ Baangerelateerde investeringskorting (BIK) verrekenen
➢ Extra verhoging algemene heffingskorting
➢ Verrekenbare verliezen beperkt vanaf 2021
➢ CO2-heffing voor de industrie
➢ Compensatie transitievergoeding bij bedrijfsbeëindiging
➢ Zelfstandigenaftrek in stappen omlaag
➢ Lage Vpb-tarief 2021 gaat omlaag
➢ Beperking vrije ruimte fiscale loon in 2021
➢ Arbeidskorting al in 2021 omhoog
➢ Aanpassing vermogensbelasting box 3 per 2021

Bedrijfsvoering
➢ Ruimere PFAS-norm voor bouwers en baggeraars
➢ Registratie en dronebewijs voor vliegen met drones
➢ Nieuwe Inburgeringswet
➢ Informatie delen tussen zorgverleners moet via internet

Personeel
➢ STAP-budget vervangt scholingsaftrek
➢ Omscholing naar tekortberoepen in het mkb
➢ Tijdelijke vrijstelling RVU-heffing

Bedrijfspand
➢ Nieuwe gebouwen moeten voldoen aan de BENG
➢ Zzp’er kan huurverlaging aanvragen

Verkoop
➢ Verkoop wegwerpplastic verboden
➢ Statiegeld op kleine plastic flesjes
➢ Uitstalverbod tabakswaren
➢ Speciaalzaken: reclame voor tabak verboden in 2021

Vervoer
➢ Heffing voor vrachtwagens vanaf 3500 kg
➢ Nieuwe loodsplicht: flexibeler en toekomstbestendig
➢ Korting bijtelling auto’s op zonne-energie

Klimaat
➢ Strengere regels voor restafval van textiel
➢ Hoger ODE-tarief voor gas en elektriciteit vanaf 2021
➢ Korting bijtelling auto’s op zonne-energie
➢ Verkoop wegwerpplastic verboden
➢ Statiegeld op kleine plastic flesjes
➢ Nieuwe gebouwen moeten voldoen aan de BENG

Industrie
➢ Strengere regels voor restafval van textiel

Aankondiging fiscale maatregelen
Het kabinet stelt naar aanleiding van de augustusbesluitvorming bij nota van wijziging op het Belastingplan 2021 twee maatregelen voor.

1. Het kabinet stelt per 1 januari 2021 een Baangerelateerde Investeringskorting (BIK) voor. De BIK laat ondernemers een percentage van de gedane investeringen in mindering brengen op de loonheffing. De maatregel heeft een budgettair belang van circa € 2 miljard. Het kabinet wil deze korting tijdelijk invoeren per 2021 als crisismaatregel. Na afloop van de BIK zal deze budgettaire ruimte worden gebruikt voor een nader te bepalen maatregel met hetzelfde doelbereik (het verlagen van werkgeverskosten).
2. Het kabinet stelt daarnaast per 1 januari 2022 een in de tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekening voor (terwijl dat nu zes jaar voorwaarts is). Daarbij zijn de verliezen (zowel voorwaarts als achterwaarts) echter slechts tot een bedrag van € 1 miljoen aan belastbare winst volledig verrekenbaar. Bij een hogere winst zijn de verliezen slechts tot 50% van die hogere belastbare winst in een jaar verrekenbaar. Deze maatregel volgt uit een van de aanbevelingen van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals.
De uitvoerbaarheid van deze twee maatregelen wordt nog getoetst.

Verder heeft het kabinet nog een aantal belangrijke voornemens:

A. Ten eerste wil het kabinet in het voorjaar van 2021 een wetsvoorstel indienen om het arm’s-lengthbeginsel aan te passen. Het arm’s-lengthbeginsel houdt in dat afzonderlijke vennootschappen die binnen een concern met elkaar handelen, daar ook marktconforme prijzen voor betalen. Dit is met name relevant in internationale situaties. De ene concernvennootschap die een bepaalde dienst of product koopt kan de marktconforme kosten aftrekken, terwijl bij de andere concernvennootschap (die een bepaalde dienst levert of product verkoopt) de corresponderende bate in aanmerking wordt genomen. Concernvennootschappen behalen op die manier een marktconforme winst, die in het land waar die vennootschappen gevestigd zijn in de belastingheffing wordt betrokken. Het wetsvoorstel beperkt een neerwaartse aanpassing van de Nederlandse fiscale winst op grond van het arm’s-lengthbeginsel indien de vergoeding in een ander land bij een gelieerde partij niet of voor een lager bedrag als opbrengst in de heffing wordt betrokken. De maatregel beoogt belastingontwijking tegen te gaan die door middel van zogenoemde informeel-kapitaalstructuren kan plaatsvinden. Met deze maatregel loopt Nederland internationaal meer in de pas. Ook deze maatregel volgt uit een van de aanbevelingen van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals.

B. Ten tweede gaat het kabinet onderzoek doen naar verdere beperking van de renteaftrek in combinatie met de invoering van een vermogensaftrek. Om de fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen meer evenwichtig te maken zal dit kabinet onderzoek doen naar een budgettair neutrale invoering van een vermogensaftrek, waarbij het verder beperken van de earningsstrippingmaategel zal worden meegenomen. Aangezien dit een ingrijpende wijziging betreft, moet de wenselijkheid en vormgeving van deze optie verder worden onderzocht.

C. Ook wordt de verrekening van voorheffingen met vennootschapsbelasting aangepast naar aanleiding van het Sofina-arrest. Om mogelijke strijdigheid met het EU-recht weg te nemen is het kabinet voornemens om per 1 januari 2022 de verrekening van dividendbelasting en naar prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting (hierna: voorheffingen) met de vennootschapsbelasting te beperken.

Op 22 november 2018 heeft het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) arrest gewezen in de Franse zaak Sofina (C-575/17). Hierin heeft het HvJ EU geoordeeld dat de Franse dividendbelastingwetgeving in strijd is met het EU-recht, omdat wel (Franse) dividendbelasting wordt geheven over dividenden ontvangen door een niet-ingezeten vennootschap, terwijl dividenden ontvangen door een ingezeten vennootschap aan het einde van het boekjaar waarin zij zijn ontvangen enkel worden belast op voorwaarde dat de ingezeten vennootschap in dat boekjaar winstgevend is geweest. Het betrof in deze zaak verlieslatende aandeelhouders die in België zijn gevestigd en dividenden vanuit Frankrijk ontvingen. Hoewel de Nederlandse belastingwetgeving qua systematiek afwijkt van de Franse belastingwetgeving, is het niet denkbeeldig dat het HvJ EU tot een vergelijkbaar oordeel zou komen als in de Franse zaak. In Nederland gevestigde lichamen die belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb-plichtige lichamen) kunnen voorheffingen volledig verrekenen met het bedrag aan verschuldigde vennootschapsbelasting. Dit heeft tot gevolg dat Vpb-plichtige lichamen die zich in een jaar in een verliessituatie bevinden en dus geen vennootschapsbelasting verschuldigd zijn, eventueel ingehouden dividendbelasting en/of kansspelbelasting in dat jaar volledig kunnen terugkrijgen. In het buitenland gevestigde lichamen die niet belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting, maar die zich overigens in een vergelijkbare (verlies)positie bevinden als Vpb-plichtige lichamen, hebben deze mogelijkheid daarentegen niet. Dit verschil in behandeling tussen Vpb-plichtige lichamen en buitenlandse lichamen die niet belastingplichtig zijn voor de Nederlandse vennootschapsbelasting is mogelijk niet gerechtvaardigd gelet op het oordeel van het HvJ EU in de zaak Sofina. Op basis van de beoogde maatregel zal de verrekening van voorheffingen beperkt worden tot de in een jaar verschuldigde vennootschapsbelasting, waarbij de niet verrekende voorheffingen zullen worden doorgeschoven naar een later jaar. Vooruitlopend op en in afwijking van deze maatregel zal binnenkort een beleidsbesluit worden gepubliceerd, waarin wordt goedgekeurd dat de inspecteur in lijn met het arrest in de zaak Sofina in bepaalde situaties – onder voorwaarden – teruggaaf van dividendbelasting en kansspelbelasting kan verlenen aan lichamen die buiten Nederland zijn gevestigd. Op die manier wordt in de tussenliggende periode de mogelijke Europeesrechtelijke strijdigheid weggenomen.

D. Tot slot is het kabinet van plan om bij nota van wijziging op het wetsvoorstel Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen een drietal maatregelen voor te stellen. Door middel van een nota van wijziging op het wetsvoorstel Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen zal een oplossing geboden worden voor schrijnende situaties die kunnen ontstaan als een van de partners in een penitentiaire inrichting verblijft. Voor de partner die voor langere tijd is gedetineerd is (en dus niet thuis woont) is het namelijk niet mogelijk om bij te dragen aan het huishouden of de zorg voor kinderen. Het probleem is dat deze persoon blijft meetellen als partner voor de toeslagen. Dit heeft een negatief effect op de gerechtigdheid tot en de hoogte van de tegemoetkoming, zoals de kinderopvangtoeslag. Het kabinet heeft deze situatie op het netvlies en wil hiervoor een maatregel treffen. Dit vergt nog nadere uitwerking en wordt zoals gezegd door een nota van wijziging aan het wetsvoorstel toegevoegd. Daarnaast bevat de nota van wijziging een tweetal maatregelen ten aanzien van zaken die naar boven zijn gekomen bij de uitvoering van de hersteloperatie Toeslagen. De eerste maatregel betreft een uitbreiding van de hardheidsregeling en vergoeding van onverschuldigde kosten van invordering. De tweede maatregel ziet op de mogelijkheid om betaalde of verrekende rente wegens te late betaling te herzien en te vergoeden in het kader van de hersteloperatie.

Hieronder zoomen we in op iedere aparte maatregel per wetsvoorstel.

A. Wetsvoorstel Belastingplan 2021

• Inkomensbeleid / parameters
• Invoeren van een vrijstelling voor de TOGS en de Subsidie vaste lasten (COVID-19)
• Fiscale behandeling Subsidieregeling bonus zorgprofessional COVID-19 voor
niet-werknemers
• Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (COVID-19)
• Verruimen gerichte vrijstelling scholingskosten
• Aanpassen vrije ruimte werkkostenregeling
• Invoeren van een fiscale coronareserve (COVID-19)
• Vrijstelling van winst op Caribisch Nederland vanwege COVID-19
• Voorkomen van vrijstelling door specifieke renteaftrekbeperking
• Verhogen van het effectieve tarief van de innovatiebox naar negen procent
• Aanpassen minimumkapitaalregel en bankenbelasting
• Wijzigingen in de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen
• Lagere bijtelling voor elektrische auto met zonnepanelen
• Aanscherpen van de CO2-schijfgrenzen en schijftarieven in de bpm en van de CO2-
grens en het tarief voor de dieseltoeslag
• Verlengen verlaagd tarief openbare laadpalen
• Vervangen postcoderoosregeling door een subsidieregeling
• Verlaagd tarief voor walstroominstallaties

Inkomensbeleid/parameters

Beschrijving voorstel/regeling
In het pakket Belastingplan 2021 zijn per 1 januari 2021 de volgende aanpassingen van tarieven en bedragen opgenomen:
• het tarief eerste schijf in de loon- en inkomstenbelasting wordt verlaagd met 0,25%-punt zoals al eerder was geregeld in het pakket Belastingplan 2020;
• de algemene heffingskorting in de loon- en inkomstenbelasting wordt ten opzichte van de verhoging in het pakket Belastingplan 2020 aanvullend verhoogd met € 22;
• de arbeidskorting wordt bij het eerste knikpunt verhoogd met € 179, bij het tweede knikpunt met € 184 en bij het derde knikpunt met € 32;
• de inkomensafhankelijke combinatiekorting wordt verlaagd met € 113;
• de ouderenkorting wordt verhoogd met € 55;
• de zelfstandigenaftrek wordt ten opzichte van de verlaging uit het pakket Belastingplan 2020 aanvullend verlaagd met € 110;
• het heffingvrije vermogen in box 3 wordt verhoogd tot € 50.000;
• de voor de toepassing van de rendementsklassen in box 3 relevante grenzen in de grondslag sparen en beleggen worden gesteld op respectievelijk € 50.000 en € 950.000;
• het belastingtarief voor box 3 wordt vastgesteld op 31%;
• het lage tarief in de vennootschapsbelasting wordt verlaagd met 1,5%-punt, terwijl de eerste schijf in de vennootschapsbelasting wordt verlengd;

In het Belastingplan 2021 geregelde verhogingen en verlagingen van tarieven en bedragen voor latere jaren dan 2021 lopen mee in de toetsing bij een later Belastingplan.

Belastingplichtigen en toeslaggerechtigden hoeven zelf niets te doen. De Belastingdienst communiceert de wijzigingen via de reguliere kanalen (website, Belastingtelefoon, etc.). Inhoudingsplichtige werkgevers passen deze toe vanaf 1 januari 2021.

Verwerking door de Belastingdienst
De beschreven aanpassingen van tarieven, kortingen en bedragen in de inkomstenbelasting inclusief de indexeringen uit de later te verschijnen bijstellingsregeling, verwerkt de Belastingdienst in de
systemen voor de (eerste) voorlopige aanslag voor 2021, de definitieve aanslag voor 2021. De aanpassingen worden ook verwerkt in de software voor de loonheffingen. Alle aanpassingen betreffen mutaties van bestaande parameters. De aanpassingen van het lage tarief en de lengte van de eerste schijf in de vennootschapsbelasting zijn aanpassingen van bestaande parameters die tijdig in de aangifte- en aanslagprogrammatuur kunnen worden verwerkt.

Vervolgtraject
Indien de stemmingen over het pakket Belastingplan 2021 in de Tweede Kamer uiterlijk 20 november 2020 plaatsvinden, geldt voor het vervolgtraject het volgende:
• In de massaal opgelegde voorlopige aanslagen voor het inkomstenbelastingjaar 2021 kan de Belastingdienst rekening houden met parameterwijzigingen als gevolg van nota’s van wijziging en amendementen tijdens het parlementaire traject. Deze wijzigingen worden ook meegenomen in de berekening van door burgers zelf aangevraagde voorlopige aanslagen 2021;
• Er is een bijzondere situatie voor de parameteraanpassingen voor de zelfstandigenaftrek en voor het heffingvrije vermogen en de rendementsklassen in box 3. Deze aanpassingen vergen meer werk dan de gemiddelde parameteraanpassing. Indien deze tijdens het parlementaire traject nog worden gewijzigd, is het afhankelijk van de in zijn totaliteit verlangde aanpassingen of deze nog tijdig kunnen worden verwerkt in de massaal opgelegde voorlopige aanslagen voor het inkomstenbelastingjaar 2021. Is dat niet het geval, dan gaat de Belastingdienst voor deze parameters uit van de bedragen en percentages die medio oktober 2020 bekend waren. De wijzigingen worden sowieso verwerkt in het programma waarmee belastingplichtigen zelf een nieuwe voorlopige aanslag 2021 kunnen aanvragen. Belastingplichtigen die dat wensen kunnen daarmee zelf een nieuwe voorlopige aanslag aanvragen die met de nieuwe bedragen en percentages wordt berekend. Doen zij dat niet, dan past de Belastingdienst in 2022 bij de definitieve aanslagregeling 2021 alsnog de juiste bedragen en
percentages toe;
• Parameterwijzigingen voor de loonbelasting 2021 als gevolg van nota’s van wijziging en amendementen tijdens het parlementaire traject kunnen nog per 1 januari 2021 worden meegenomen in de loonbelastingtabellen 2021.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021. De Belastingdienst start eind 2020 al met het verzenden van de eerste voorlopige aanslag 2021 en de voorschotbeschikking toeslagen 2021. Dit is voorafgaand aan de definitieve goedkeuring van de wet. Inhoudingsplichtigen en softwareleveranciers ontvangen uiterlijk 20 november 2020 de definitieve tabellen en (reken)voorschriften waarin de nieuwe cijfers zijn verwerkt, zodat ze deze in hun systemen kunnen opnemen.

Invoeren van een vrijstelling voor de TOGS en de Subsidie vaste lasten (COVID-19)

Beschrijving voorstel/regeling
De maatregel betreft de codificatie van een al bij beleidsbesluit ingevoerde vrijstelling voor de vergoedingen die ondernemers ontvangen op basis van de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS) en de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten mkb (TVL).
Dit zijn twee (steun)maatregelen die de overheid heeft genomen in het kader van de coronacrisis.

Op basis van de TOGS-regeling kon een gedupeerde onderneming onder voorwaarden aanspraak maken op een bedrag van € 4.000 als tegemoetkoming in de schade geleden door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus. In verband met de duur van de coronamaatregelen is deze regeling vervolgens opgevolgd door de TVL. Deze regeling biedt gedupeerde ondernemingen onder voorwaarden een tegemoetkoming voor hun vaste lasten tot een maximum van € 50.000 voor een periode van vier maanden.

Op basis van de wettelijke fiscale bepalingen behoren de vergoedingen die ondernemingen ontvangen op basis van de TOGS en de TVL in beginsel tot de belastbare winst.

Vooruitlopend op de onderhavige codificerende wetgeving is door middel van een beleidsbesluit geregeld dat deze vergoedingen niet tot de winst behoren, zodat heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting hierover wordt voorkomen.

Aangezien de verstrekking van de vergoedingen in verband met de maatregelen die getroffen zijn ter bestrijding van COVID-19 in het jaar 2020 heeft plaatsgevonden, treedt de bepaling met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2020.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2020.

Fiscale behandeling Subsidieregeling bonus zorgprofessional COVID-19 voor niet-werknemers

Beschrijving voorstel/regeling
De Subsidieregeling bonus zorgpersoneel COVID-19 bevat een verplichting voor zorginstellingen om – voorafgaande aan de uitbetaling – de zorgbonus voor eigen werknemers aan te wijzen als eindheffingsloon conform artikel 31, eerste lid, onderdeel f, Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). De zorgbonus komt hiermee ten laste van de vrije ruimte binnen de werkkostenregeling en zal mogelijk (deels) als eindheffingsloon tegen 80% belast worden bij de werkgever.

Het is niet de bedoeling dat het ten laste brengen van de zorgbonus op de vrije ruimte invloed heeft op de overige vergoedingen en verstrekkingen die een zorginstelling aan haar personeel wil verstrekken. Gelet hierop ontvangen werkgevers als onderdeel van de subsidie ook het bedrag aan verschuldigde eindheffing veroorzaakt door de zorgbonussen. Door de zorgbonus als eindheffingsloon aan te wijzen heeft de zorgbonus voor de zorgmedewerkers geen gevolgen voor de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen en evenmin voor het inkomen dat relevant is voor inkomensafhankelijke regelingen. Voor het voorgaande is geen wetswijziging nodig.

Zorginstellingen kunnen ook een zorgbonus aanvragen en uitbetalen voor zorgmedewerkers die niet bij de zorginstelling in dienst zijn, bijvoorbeeld zelfstandigen en ingeleend schoonmaakpersoneel. Deze zorgbonussen worden eveneens verplicht als eindheffingsbestanddeel in aanmerking genomen, tegen een tarief van 75%. Deze zorgbonussen moeten, vanwege de uitvoerbaarheid van de regeling namelijk als eindheffingsloon verstrekkingen aan anderen dan eigen werknemers worden aangemerkt (conform artikel 32ab Wet LB 1964), en de daarover verschuldigde eindheffing moet in de loonaangifte worden aangegeven in de rubriek eindheffing publiekrechtelijke uitkeringen en tijdelijke knelpunten van ernstige aard.

Let op!
Zorginstellingen dienen voor niet-werknemers een afzonderlijke administratie bij te houden waaruit blijkt aan wie de zorgbonus is uitgekeerd. Daarnaast delen de zorginstellingen de zorgprofessionals die de zorgbonus ontvangen schriftelijk mede dat over de zorgbonus eindheffing is betaald.
De Subsidieregeling bonus zorgpersoneel COVID-19 bevat een verplichting voor zorginstellingen om deze eindheffingsregeling, ook vooruitlopend op de inwerkingtreding van het Belastingplan 2021, toe te passen.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021 en werkt terug tot en met 1 oktober 2020.

Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (COVID-19)

Beschrijving voorstel/regeling
De tegemoetkoming in het kader van de tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA) van de Minister van SZW wordt fiscaal behandeld als loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. UWV treedt hierbij op als inhoudingsplichtige en past in beginsel standaard de loonheffingskorting toe.

De fiscale gevolgen van de maatregel worden gecommuniceerd via de reguliere kanalen. De tegemoetkomingen worden opgenomen in de vooraf ingevulde aangifte voor de inkomstenbelasting.

Let op: De tegemoetkoming kan leiden tot bijbetaling in de inkomstenbelasting en tot aanpassing van een of meer toeslagen.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 12 juni 2020.

Verruimen gerichte vrijstelling scholingskosten

Beschrijving voorstel/regeling
De gerichte vrijstelling van artikel 31a, tweede lid, onderdeel d van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964), voor kosten van het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning, wordt uitgebreid naar vroegere arbeid. Daartoe wordt artikel 31, eerste lid, onderdeel g Wet LB 1964 uitgebreid. Hiermee wordt het mogelijk voor (ex-)werkgevers aan (ex-)werknemers die uit dienst zijn, of zullen gaan, een onbelaste vergoeding voor scholing te geven of deze te verstrekken. Dit geldt daarmee onder meer voor vergoedingen van scholingskosten die werkgevers willen geven als onderdeel van een sociaal plan en voor de tijdens de dienstbetrekking opgebouwde, maar nog niet eerder genoten individuele scholingsbudgetten.

Let op!
De verantwoordelijkheid en toepassing wordt bij de werkgever neergelegd zonder voorafgaande materiële toets. De Belastingdienst verwacht dat het aantal verzoeken om vooroverleg toeneemt. De huidige gerichte vrijstelling is al problematisch in de handhaving doordat er een toets moet plaatsvinden van niet-fiscale aard waarbij feitelijke controle alleen kan plaatsvinden door middel van boekenonderzoek. Doordat de mogelijkheid bestaat ook derden in te schakelen – wat niet handhaafbaar is voor de Belastingdienst – neemt de kans toe dat deze partijen een verdienmodellen ontwikkelen, zoals die ten tijde van de afdrachtsvermindering onderwijs ook ontstonden. Dit werkt oneigenlijk gebruik in de hand.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Aanpassen vrije ruimte werkkostenregeling

Beschrijving voorstel/regeling
In het Besluit noodmaatregelen coronacrisis is goedgekeurd dat voor 2020 wordt uitgegaan van een vrije ruimte voor de werkkostenregeling (WKR) van 3% voor de eerste € 400.000 fiscale loonsom. Werkgevers kunnen daardoor hun werknemers extra tegemoetkomen, bijvoorbeeld door het verstrekken van een cadeaubon. Met het wetsvoorstel wordt de goedkeuring met terugwerkende kracht gecodificeerd. Tevens wordt de tweede schijf in de vrije ruimte in de werkkostenregeling in de loonheffing per 1 januari 2021 structureel verlaagd van 1,2% naar 1,18%.

Voor werknemers met een werkgever/niet-inhoudingsplichtige moeten de aangifte inkomstenbelasting 2020 en de omrekenprogramma’s voor Duits/Belgisch loon worden aangepast.

Het standpunt dat een vergoeding of verstrekking niet voldoet aan het gebruikelijkheidscriterium zal in de toekomst vermoedelijk vaker door de inspecteur moeten worden ingenomen, waarbij het aan de inspecteur is om aannemelijk te maken dat de vergoeding of verstrekking niet voldoet aan het gebruikelijkheidscriterium.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari

Invoeren van een fiscale coronareserve (COVID-19)

Beschrijving voorstel/regeling
Het voorgestelde artikel 12abis Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) bepaalt dat belastingplichtigen bij de bepaling van de winst over 2019 onder voorwaarden een fiscale coronareserve kunnen vormen voor het gehele of gedeeltelijke zogenoemde ‘coronagerelateerde verlies’ dat zich naar verwachting in het jaar 2020 voordoet. Dit geldt op vergelijkbare wijze voor belastingplichtigen die een gebroken boekjaar hanteren. Door een fiscale coronareserve te vormen, wordt de winst van het jaar 2019 lager. Hierdoor kunnen belastingplichtigen op korte termijn (een deel van) de betaalde belasting over het jaar 2019 terugkrijgen, of hoeft (een deel van) de te betalen belasting over 2019 niet meer te worden betaald. Dit levert een liquiditeitsvoordeel op.

Het coronagerelateerde verlies betreft het verlies voor zover dat verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis. De fiscale coronareserve mag daarnaast niet groter zijn dan de winst van het jaar 2019 voorafgaand aan het vormen van de reserve en ook niet groter dan het totale verwachte verlies in het jaar 2020. De fiscale coronareserve wordt uiterlijk in het jaar volgend op het jaar waarin deze reserve is gevormd, volledig in de winst opgenomen.

Let op!
Het is aan de belastingplichtige om de voor- en nadelen van de coronareserve af te wegen en vervolgens een keuze te maken om de coronareserve al dan niet toe te passen.

Belastingplichtigen die gebruik willen maken van de maatregel dienen te verzoeken om een nadere voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2019 of moeten een herziene aangifte vennootschapsbelasting 2019 indienen. Zij kunnen de fiscale coronareserve in de aangifte vennootschapsbelasting opnemen in de rubriek overige fiscale reserves.
Het zal voor belastingplichtigen niet eenvoudig zijn om een exacte schatting te maken van het coronagerelateerde verlies. Wel wordt van belastingplichtigen verwacht dat zij dit naar redelijkheid doen op basis van de feiten en omstandigheden die op dat moment bekend zijn.

De Belastingdienst signaleert dat de doelgroep zich doorgaans laat bijstaan door specialisten. Ook signaleert de Belastingdienst de (theoretische) mogelijkheid om de fiscale coronareserve te gebruiken waarvoor de regeling niet is bedoeld. Dit oneigenlijk gebruik zal indien gesignaleerd, worden bestreden.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk met terugwerkende kracht per: 1 januari 2020.

Vrijstelling van winst op Caribisch Nederland vanwege COVID-19

Beschrijving voorstel/regeling
Voor de BES-eilanden geldt dat in verband met de COVID-19-maatregelen aan ondernemingen een tweetal subsidies worden verstrekt voor het jaar 2020, te weten: A. Regeling Tegemoetkoming Getroffen Ondernemers COVID-19 BES, waarbij ondernemingen onder voorwaarden aanspraak konden maken op een subsidie in verband met een in de periode van 13 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 verwachtte omzetverlies als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19.

B. Regeling subsidie financiering vaste lasten getroffen ondernemingen COVID-19 BES over de periode 1 juni tot en met 30 september 2020. Deze regeling heeft als doel de onderneming in staat te stellen in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 de vaste lasten te betalen.
Deze beide subsidies worden vrijgesteld van belastingen.

Let op! Belastingplichtigen moeten in de boekhouding vermelden dat zij een vrijgestelde subsidie hebben ontvangen. Belastingdienst/Caribisch Nederland ontvangt van de Rijkdienst Caribisch Nederland Unit Sociale Zaken contra-informatie met daarin de uitkeringen op grond van bovenvermelde regelingen welke aan belastingplichtigen zijn gedaan onder de COVID-19-maatregel over het jaar 2020.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2020.

Voorkomen van vrijstelling door specifieke renteaftrekbeperking

Beschrijving voorstel/regeling
Op grond van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) worden onder omstandigheden renten – kosten en valutaresultaten daaronder begrepen – ter zake van schulden aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijke persoon van aftrek uitgesloten. Deze specifieke antimisbruikbepaling beoogt binnen concernverband grondslaguitholling door renteaftrek tegen te gaan. De voorgestelde wetswijziging bewerkstelligt dat renten, kosten en valutaresultaten ter zake van schulden waarop de genoemde bepaling van toepassing is, niet langer gezamenlijk worden gesaldeerd, maar per schuld worden gesaldeerd tot ten minste nihil.

Belastingplichtigen die met deze maatregelen van doen krijgen, laten zich doorgaans vertegenwoordigen door adviseurs. De Belastingdienst signaleert dat de groep belastingplichtigen vergroot is na de Wet spoedreparatie fiscale eenheid. De voorgestelde wijziging van artikel 10a Wet Vpb 1969 vergt intensivering van het toezicht.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2021.

Verhoging van het effectieve tarief van de innovatiebox naar negen procent

Beschrijving voorstel/regeling
Voorgesteld wordt om het effectieve tarief van de innovatiebox te verhogen van 7% naar 9%.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Aanpassen minimumkapitaalregel en bankenbelasting

Beschrijving voorstel/regeling
Omdat aanvullend tier 1-kapitaal (hierna: AT1-kapitaal) als gevolg van een arrest van de Hoge Raad fiscaal kwalificeert als schuld, wordt voorgesteld om AT1-kapitaal niet langer aan te merken als kapitaal bij de berekening van de leverage ratio en de eigenvermogenratio voor de toepassing van de minimumkapitaalregel.

Een tweede wijziging in de minimumkapitaalregel is dat de renten ter zake van geldleningen voortaan in aftrek worden beperkt, voor zover het vreemd vermogen meer dan 91% van het balanstotaal bedraagt (in plaats van de huidige 92%). Hiertoe wordt het percentage van de leverage ratio en de eigenvermogenratio verhoogd van 8% naar 9%.
De aanpassing zal inwerkingtreden met ingang van boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2021.

Daarnaast worden de tarieven voor de bankenbelasting in 2021 tijdelijk verhoogd naar 0,066% respectievelijk 0,033%.
De minimumkapitaalregel treft een beperkte groep belastingplichtigen die vanaf 2020 ervaring hebben met de minimumkapitaalregel en zich doorgaans laten vertegenwoordigen door adviseurs.

Invoeringsmoment I
nvoering is mogelijk per: boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2021.

Wijzigingen in de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen

Beschrijving voorstel/regeling
Er wordt voorgesteld om het belastbaar feit in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) te vervroegen van de facto de tenaamstelling in het kentekenregister naar de inschrijving in het kentekenregister. In dat kader wordt mede voorgesteld het afschrijvingspercentage van een gebruikt motorrijtuig – die mede de grondslag van de bpm bij gebruikte motorrijtuigen bepaalt – te bepalen op basis van de toestand van het gebruikte motorrijtuig op het moment dat het onderzoek door de Dienst Wegverkeer (RDW) naar de identiteit van het motorrijtuig ten behoeve van de inschrijving is afgerond.

Daarnaast geldt op basis van overgangsrecht dat voor motorrijtuigen die voor inwerkingtreding van het wetsvoorstel zijn ingeschreven, maar nog niet zijn tenaamgesteld, de grondslag van heffing en de tarieven worden vastgesteld op de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

Vergunninghouders worden onder meer actief geïnformeerd door de Belastingdienst.

Invoeringsmoment:
Vanwege de samenloop met andere werkzaamheden in het autodomein is de realisatiedatum voor deze wijzigingen nog onzeker. Om deze reden is gekozen voor een inwerkingtreding per koninklijk besluit. Het streven is de benodigde aanpassingen per 1 juli 2021 te realiseren.

Lagere bijtelling voor elektrische auto met zonnepanelen

Beschrijving voorstel/regeling
De voorgestelde maatregel voor een lagere bijtelling op zonnecelauto’s is eerder aangekondigd in de Wet fiscale maatregelen Klimaatakkoord. In het kader van fiscale stimulering van emissievrije auto’s is er een korting op het bijtellingspercentage mogelijk tot een ingebouwd plafond op de catalogusgrondslag genaamd de ‘cap’. In dit voorstel wordt de ‘cap’ afgeschaft voor zonnecelauto’s waarmee de korting op de bijtelling van zonnecelauto’s niet gemaximeerd wordt. Dezelfde regeling is al van toepassing op waterstofauto’s.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Aanscherpen van de CO2- schijfgrenzen en schijftarieven in de bpm en van de CO2-grens en het tarief voor de dieseltoeslag

Beschrijving voorstel/regeling
In de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 worden de CO2-schijfgrenzen en de schijftarieven voor personenauto’s en de CO2-grens en het tarief voor de dieseltoeslag voor personenauto’s gewijzigd.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Verlengen verlaagd tarief openbare laadpalen

Beschrijving voorstel/regeling
Het voorstel verlengt met twee jaar (tot en met 2022) de maatregel voor een verlaagd tarief dat geldt in de periode 2017-2020 voor oplaadinstallaties voor elektrische voertuigen (bestaande uit een of meer laadpalen) die beschikken over een zelfstandige aansluiting. Dit verlaagde tarief in de energiebelasting (EB) geldt voor de eerste 10.000 kWh elektriciteit die wordt geleverd aan dergelijke oplaadinstallaties. Het verlaagd tarief is gelijk aan het EB-tarief van de 2e schijf voor elektriciteit (10.000-50.000 kWh). Tevens geldt voor deze gevallen dat geen tarief wordt vastgesteld voor de opslag duurzame energie- en klimaattransitie.

De energieleverancier moet als voorwaarde voor toepassing van het verlaagde tarief beschikken over een verklaring van de exploitant waaruit blijkt dat de elektriciteit uitsluitend wordt gebruikt in een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen en dat de oplaadinstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Vervangen postcoderoosregeling door een subsidieregeling

Beschrijving voorstel/regeling
De Regeling verlaagd tarief in de energiebelasting, ook wel bekend als de postcoderoosregeling (PCR), wordt per 1 januari 2021 afgeschaft. De PCR wordt vervangen door een niet-fiscale regeling (een subsidie) die in 2021 wordt geïntroduceerd.

De PCR blijft wel van toepassing op coöperaties die uiterlijk op 31 december 2020 zijn aangewezen door de Belastingdienst en op de levering van elektriciteit aan de op 31 december 2020 bestaande leden van die coöperatie.

Ditzelfde geldt voor gevallen waarbij de coöperatie vóór 1 januari 2021 een verzoek tot aanwijzing bij de inspecteur heeft ingediend en het verzoek na 1 januari 2021 is afgehandeld. In dergelijke gevallen wordt het tijdstip van aanwijzing van de coöperatie gesteld op 31 december 2020.

Let op! Voor bestaande gevallen verandert er niets. De PCR blijft van toepassing gedurende 15 jaren na het tijdstip waarop de coöperatie werd aangewezen, dus uiterlijk tot en met 31 december 2035.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per 1 januari 2021.

Verlaagd energiebelastingtarief voor walstroominstallaties

Beschrijving voorstel/regeling
In de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) wordt voor de energiebelasting (EB) een definitie opgenomen van het begrip “walstroominstallatie”. Dit is een installatie aan land met een zelfstandige aansluiting die het mogelijk maakt om schepen die zijn afgemeerd te voorzien van elektriciteit die afkomstig is van een distributienet. Vervolgens wordt in de Wbm een verlaagd EB-tarief geïntroduceerd voor leveringen van elektriciteit aan een walstroominstallatie die aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zo moet die installatie geheel of nagenoeg geheel bestemd zijn voor schepen niet zijnde zogenoemde particuliere pleziervaartuigen. In aanvulling op het verlaagd EB-tarief wordt in de Wet opslag duurzame energie- en klimaattransitie (Wet ODE) expliciet geen tarief vastgesteld voor deze leveringen.

Het verlaagde EB-tarief en de bepaling in de Wet ODE zijn slechts van toepassing als de exploitant van de walstroominstallatie een verklaring aan zijn energieleverancier heeft overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden. De introductie van dit verlaagd EB-tarief vergt het verkrijgen van een derogatie.

Let op!
Energieleveranciers die via een aansluiting elektriciteit leveren aan exploitanten van walstroominstallaties en deze exploitanten krijgen via de energierekening te maken met de genoemde tarieven. De klanten van de exploitanten krijgen de belasting naar verwachting doorberekend. De exploitant van de walstroominstallatie moet de energieleverancier ervan in kennis stellen als hij in financiële moeilijkheden verkeert. In dat geval mag het verlaagde tarief niet (meer) worden toegepast.

Let op!
De energieleverancier kan niet met zekerheid vaststellen of de door de exploitant van de walstroominstallatie verstrekte verklaring juist is. Het is nog niet duidelijk of de Belastingdienst achteraf met zekerheid kan vaststellen dat de walstroominstallatie geheel of nagenoeg geheel is bestemd voor schepen niet zijnde particuliere pleziervaartuigen. Benodigde gegevens hierover bevinden zich niet in de administratie van de belastingplichtige maar bij derden (o.a. de exploitanten van walstroominstallaties en hun klanten).

Invoeringsmoment:
De introductie van dit verlaagd EB-tarief vergt het verkrijgen van een derogatie. Het is denkbaar dat de maatregel als gevolg hiervan niet op 1 januari 2021 in werking kan treden. Inwerkingtreding vindt mede daarom plaats bij koninklijk besluit.

B. Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2020
• Aanpassen overgangsrecht levensloopregeling
• Verduidelijken berekeningswijze kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
• Verduidelijken afdrachtvermindering S&O met betrekking tot publieke kennisinstellingen
• Verduidelijken samenloop ATAD2 en earningsstrippingmaatregel
• Aanpassen overgangsrecht Natuurschoonwet 1928
• Uitzondering voor het leggen van elektronisch derdenbeslag door de Belastingdienst
• Technische aanpassing WLTP
• Reparatie onbeoogde wijziging eigenwoningforfait uitzendregeling

Aanpassen overgangsrecht levensloopregeling

Beschrijving voorstel/regeling
Eind 2021 vindt op grond van overgangsrecht een afrekening plaats over de op dat moment nog bestaande levensloopaanspraken. Het voorstel is om het overgangsrecht op een aantal punten aan te passen.

Ten eerste wordt de relevante datum op 1 november 2021 gesteld. Daarnaast treedt met het oog op het fictieve genietingsmoment in alle gevallen de instelling die de regeling uitvoert op als inhoudingsplichtige. Ten slotte wordt de standaardloonheffingskorting niet toegepast en is geen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de instelling nooit premie werknemersverzekeringen verschuldigd is over het loon.

Verwerking Belastingdienst
De aanpassingen ten aanzien van de levensloopregeling en levensloopverlofkorting worden verwerkt in de inkomstenbelasting- en loonbelastingsystemen vanaf 2022. Met ingang van belastingjaar 2022 hoeven er geen gegevens meer te worden ingewonnen over de levensloopverlofkorting voor de vooringevulde aangifte voor de inkomstenbelasting.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Verduidelijken berekeningswijze kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

Beschrijving voorstel/regeling
Het voorstel wijzigt de berekeningswijze van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) in de inkomstenbelasting voor belastingplichtigen die deel uitmaken van een samenwerkingsverband.

Met het voorstel wordt de gehanteerde rekenmethodiek ten aanzien van de KIA wettelijk vastgelegd. Omdat de volledige berekeningswijze, zoals de toerekening bij samenwerkingsverbanden, niet uit de huidige wet blijkt, hoeft na codificatie in voorkomende gevallen de jurisprudentie op dat vlak niet meer te worden gevolgd.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Verduidelijken afdrachtvermindering S&O met betrekking tot publieke kennisinstellingen

Beschrijving voorstel/regeling
Het voorstel betreft een tekstuele aanpassing van de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (S&O) in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. De term ‘zonder winstoogmerk’ uit artikel 1, eerste lid, onderdeel m, onder 2° komt ten aanzien van het begrip ‘publieke kennisinstelling’ te vervallen. Daarmee wordt een onduidelijkheid weggenomen.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Verduidelijken samenloop ATAD2 en earningsstrippingmaatregel

Beschrijving voorstel/regeling
Met de voorgestelde maatregel wordt de samenloop tussen enerzijds de hybridemismatchmaatregelen en anderzijds de earningsstrippingmaatregel en de minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars nader geregeld, waarmee de mogelijke onduidelijkheid op dit punt wordt weggenomen.

De per 1 januari 2020 geïmplementeerde hybridemismatchmaatregelen neutraliseren kort gezegd situaties waarbij er bij grensoverschrijdende betalingen sprake is van dubbele aftrek, dan wel een aftrek zonder dat de opbrengst in de heffing wordt betrokken, door de aftrekpost te corrigeren. Voor zover die aftrekpost kan worden afgezet tegen zogenoemd dubbel in aanmerking genomen inkomen, zijn de hybridemismatchmaatregelen niet van toepassing, aangezien in deze situaties correcties zouden kunnen leiden tot dubbele belastingheffing. Het maakt hierbij niet uit of het zogenoemde dubbel in aanmerking genomen inkomen in hetzelfde of in een later jaar wordt geconstateerd, zij het dat in het laatste geval de hybridemismatchmaatregel in het eerste jaar wel tot een correctie leidt, die in het latere jaar wordt teruggenomen tot effectief het bedrag aan dubbel in aanmerking genomen inkomen.

Deze teruggenomen correctie kan een samenstel van verschillende aftrekposten zijn. De voorgestelde maatregel regelt voor de situaties dat er meerdere soorten aftrekposten gecorrigeerd zijn, dat een evenredig deel van de rente ten opzichte van de gehele gecorrigeerde aftrekpost als rente aangemerkt moet worden voor de earningsstrippingmaatregel, respectievelijk de minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars.

Let op! Deze voorgestelde evenredigheid gaat ook gelden voor de situaties waarbij er in hetzelfde jaar sprake is van zogenoemd dubbel in aanmerking genomen inkomen.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Aanpassen overgangsrecht Natuurschoonwet 1928

Beschrijving voorstel/regeling
Het voorstel betreft wettelijk overgangsrecht en heeft betrekking op het al dan niet invorderen van fiscale claims erf-, schenk- en overdrachtsbelasting. Het geldt voor onroerende zaken die op 31 december 2020 als natuurschoonwetlandgoed (NSW-landgoed) zijn aangemerkt en:
• die op 1 januari 2031 niet voldoen aan de gewijzigde voorwaarden van het rangschikkingsbesluit NSW en daarmee niet voldoen aan de instandhoudingseis (van art. 8 en 9c NSW); of
• die, als het landgoed (of een gedeelte daarvan) op een tijdstip vóór 1 januari 2031 een andere eigenaar krijgt, niet aan de gewijzigde voorwaarden van het rangschikkingsbesluit NSW en de instandhoudingseis voldoen.

Bij een tussentijdse eigenaarswisseling gaan de nieuwe regels van het rangschikkingsbesluit NSW gelden vanaf de datum van die eigenaarswisseling. Dit is slechts anders bij een eigenaarswisseling door vererving of ten gevolge van een verdeling van een gemeenschap of van een nalatenschap. Bij een dergelijke eigenaarswisseling blijven de oude regels van het rangschikkingsbesluit NSW van toepassing op het landgoed.

Als een landgoed niet meer voldoet aan de instandhoudingseis, leidt dat normaliter tot invordering van belastingclaims (niet-ingevorderde erf- en schenkbelasting en niet-geheven overdrachtsbelasting). Door het wettelijke overgangsrecht vindt geen invordering plaats voor het deel van de onroerende zaak dat (enkel op grond van de nieuwe regels) niet meer voldoet aan de nieuwe voorwaarden om als landgoed te worden aangemerkt.

Let op!
De verwachting is dat op grond van de voorgestelde wijziging een aantal landgoederen (deels) niet langer gerangschikt kunnen blijven. Na de intrekking van de rangschikking moet beoordeeld worden of, en voor welk deel, invordering van een fiscale claim achterwege kan blijven. Enerzijds zal de wijziging van het Rangschikkingsbesluit naar verwachting vragen oproepen met betrekking tot de invordering van belastingclaims.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Uitzondering voor het leggen van elektronisch derdenbeslag door de Belastingdienst

Beschrijving voorstel/regeling
In artikel 475, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden regels gesteld voor het elektronisch leggen van het derdenbeslag. Wanneer de derde – denk aan een werkgever of betaaldienstverlener – onder wie het beslag moet worden gelegd een elektronisch adres aan de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) heeft doorgegeven waaraan kan worden betekend, is de deurwaarder die het derdenbeslag legt verplicht van die mogelijkheid gebruik te maken.

Uit de uitvoeringstoets (opgesteld in 2018) bij dit wetsvoorstel is naar voren gekomen dat de invoering van het elektronisch derdenbeslag voor de Belastingdienst pas op termijn haalbaar is. Daarom zou de bepaling bij koninklijk besluit in werking treden zodra de Belastingdienst de nodige voorzieningen zou hebben getroffen.

De beoogde inwerkingtredingsdatum voor dit onderdeel van de Wet herziening beslag- en executierecht is 1 januari 2021. Voor de Belastingdienst is dat onuitvoerbaar; de benodigde IV-voorzieningen zijn niet gereed voor het leggen van elektronisch derdenbeslag. De conclusies uit de uitvoeringstoets zijn niet veranderd.

De in de uitvoeringstoets geclaimde uitzondering voor de Belastingdienst is abusievelijk niet doorgevoerd in de inwerkingtredingsbepaling van de wet. Er kan geen onderscheid worden gemaakt naar partijen. Ook is het niet mogelijk gebleken om in de uitzondering te voorzien bij de inwerkingtreding van dit onderdeel van het wetsvoorstel. Om die reden is nu voorzien in een specifieke uitzonderingsbepaling in de Invorderingswet 1990.
Zodra de Belastingdienst in staat is de nodige voorzieningen te treffen voor het leggen van elektronisch derdenbeslag, wordt de wijziging ingetrokken.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Technische aanpassing WLTP

Beschrijving voorstel/regeling
Voorgesteld wordt om een omissie te herstellen die ziet op de implementatie van de Worldwide Harmonised Light Vehicle Test Procedure (WLTP-methode) voor personenauto’s met een CO2-uitstoot van maximaal 50 gram per kilometer in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet Mrb). Door deze wijziging is het mogelijk dat de WLTP voor de Wet Mrb alsnog in werking treedt per 1 januari 2021. De feitelijke inwerkingtreding wordt geregeld per koninklijk besluit.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021

Reparatie onbeoogde wijziging eigenwoningforfait uitzendregeling

Beschrijving voorstel/regeling
In het Belastingplan 2019 is een stapsgewijze beleidsmatige verlaging van het eigenwoningforfait (EWF) opgenomen voor onder meer de jaren 2021 en 2023. Onderdeel daarvan is dat het basisbedrag aan EWF voor 2021 en 2023 wijzigt voor woningen die vallen onder de zogenoemde uitzendregeling en een hoge eigenwoningwaarde hebben (in 2020: een eigenwoningwaarde van meer dan € 1.090.000). Voorgesteld wordt de in het Belastingplan 2019 opgenomen wijziging van voornoemd basisbedrag op een andere manier vormgegeven.

In de systemen van de Belastingdienst waarmee de berekeningen van de aanslagen voor de inkomstenbelasting worden gemaakt is het EWF-percentage niet apart ingebouwd. De wijziging kan daarom niet in de massaal opgelegde voorlopige aanslagen worden verwerkt. Het percentage is wel opgenomen in de online aangifteprogramma’s die belastingplichtigen kunnen gebruiken voor het aanvragen van een voorlopige aanslag en voor het doen van aangifte. Indien zij een nieuwe aanvraag, wijziging of definitieve aangifte doen, wordt het beoogde basisbedrag daarin toegepast. De wijziging is een parameteraanpassing.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

C. Wetsvoorstel Wet aanpassing box 3

Beschrijving voorstel/regeling
Per 2021 wordt het heffingvrij vermogen in box 3 verhoogd naar € 50.000 met een tariefsverhoging naar 31% in 2021. De vermogensgrenzen voor toeslagen en de regelingen van andere afnemers van vermogensgegevens (waaronder het Centraal Administratie Kantoor) blijven op de huidige niveaus. Om die reden wordt voorgesteld om het vermogen van de groep personen met vermogen boven de huidige maar onder de nieuwe grens uit te blijven vragen via de aangifte inkomstenbelasting, en de belastinginspecteur de rendementsgrondslag bij beschikking te laten vaststellen.

Bij de aangifte inkomstenbelasting moeten burgers voortaan vragen beantwoorden over vermogens tot € 50.000, terwijl die vanuit fiscaal perspectief niet langer relevant zijn. Voor een aantal burgers geldt dat zij aangifte moeten doen terwijl dat fiscaal niet langer relevant is. Dit is contra-intuïtief, zodat hiervoor extra specifieke aandacht nodig is vanuit de Belastingdienst.

Met het voorstel wordt een nieuwe niet-fiscale taak voor de B/Belastingen geïntroduceerd. De belastinginspecteur wordt verantwoordelijk voor het vaststellen van het vermogen dat wordt gebruikt bij het vaststellen van het recht op toeslagen, waar B/Toeslagen tot nog toe gebruik kan maken van door de belastinginspecteur vastgestelde fiscaal relevante informatie. Tot nog toe was de rol van de belastinginspecteur uitsluitend die van gegevensleverancier. De interne complexiteit neemt hiermee toe.

Ook zal het voor burgers lastig te begrijpen zijn dat zij bij de aangifte inkomstenbelasting vermogen moeten opnemen waarover zij geen belasting betalen. Dit geldt extra voor burgers die geen recht hebben op toeslagen. De Belastingdienst verwacht dat het aantal bezwaren van toeslaggerechtigden tegen de vaststelling van hun vermogen zal toenemen.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

D. Wetsvoorstel Wet differentiatie overdrachtsbelasting

Beschrijving voorstel/regeling
Voor starters op de woningmarkt wordt voorgesteld om een eenmalige vrijstelling van overdrachtsbelasting te introduceren. De vrijstelling geldt voor verkrijgers:
• die een natuurlijk persoon zijn;
• die meerderjarig én jonger dan 35 jaar zijn;
• die een woning verkrijgen of een recht waaraan een woning is onderworpen (hierna: woning);
• die deze woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken; en
• die niet eerder gebruik hebben gemaakt van deze vrijstelling.

Het verlaagde tarief van 2% gaat alleen nog gelden voor natuurlijke personen die de verkregen woning als hoofdverblijf gaan gebruiken. Verder wordt met dit wetsvoorstel het algemene tarief dat geldt voor alle overige verkrijgingen per 1 januari 2021 verhoogd naar 8%.

De wijzigingen zien op alle transacties die zien op woningen. De notaris voldoet de belasting bij de registratie van de akte van levering nadat hij deze bij de koper in rekening heeft gebracht. Het is voor de heffing van de overdrachtsbelasting cruciaal dat de notaris zijn werk op een efficiënte wijze kan blijven uitvoeren. Met het oog op de noodzakelijke wijzigingen in de aangifte en aangifteverwerking zal rekening gehouden moeten worden met het implementatietraject bij het notariaat.

De realisatie van de benodigde wijzigingen moet in twee stappen plaatsvinden. Eerst moet de aangifteverwerking worden aangepast. Daarmee wordt geborgd dat de gegevens die nodig zijn om toezicht uit te oefenen beschikbaar zijn. Vervolgens moet ondersteuning van toezicht worden gerealiseerd.

De aangepaste aangifteverwerking kan aan de zijde van de Belastingdienst in november 2021 gerealiseerd zijn, de ondersteuning van het toezicht een jaar daarna. Op voorstel van het notariaat worden vanaf 1 januari 2021 tot het moment dat de wijziging van de aangifteverwerking is gerealiseerd, de aanpassingen louter gedaan in de tekst van de akte of in een bijlage bij de akte.

De beoogde wijzigingen voegen een aantal elementen toe aan de heffing van overdrachtsbelasting voor woningen. Indien er ten opzichte van de huidige aangifte aanvullende gegevens worden toegevoegd aan de aangifte (waaronder het BSN van de verkrijger), biedt dit noodzakelijke ondersteuning voor handhaving van deze maatregel. Het is dan mogelijk te controleren op de geboortedatum (meerderjarig en jonger dan 35 jaar) en een indicatie te verkrijgen of het gekochte adres wordt gebruikt als hoofdverblijf. Daarnaast zal door de vastlegging van het BSN van de verkrijger(s) mede een controle kunnen plaatsvinden op het eenmalig gebruiken van de vrijstelling.

Omdat bij de voorlopige werkwijze vanaf 1 januari 2021 essentiële gegevens ontbreken, zal het toezicht door de Belastingdienst bij deze werkwijze slechts zeer beperkt en steekproefsgewijs kunnen plaatsvinden. Het verhogen van het algemene tarief naar 8% leidt tot een grotere handhavingsinspanning. Met dit voorstel neemt het financiële belang bij afbakeningsvraagstukken toe. De verwachting is dat het aantal discussies hierdoor merkbaar gaat toenemen.

Zowel de startersvrijstelling als de wijzigingen inzake het 2%-tarief hebben een aantal elementen in zich die de toepassing van de regelgeving complexer maken, zoals het hoofdverblijfvereiste en de eenmaligheid van het beroep op de startersvrijstelling. De nieuwe hoofdverblijfverklaring is fraudegevoelig, omdat de verkrijger verklaart de woning na verkrijging daarvan als hoofdverblijf te gebruiken. Op dat moment kan de verklaring niet worden getoetst, omdat het om omstandigheden gaat die pas later zullen blijken. Omdat tijdens de voorlopige werkwijze vanaf 1 januari 2021 slechts beperkt toezicht mogelijk is, bestaat een grotere kans op fraude bij toepassing van het verlaagde tarief van 2%. Daarnaast kan in deze periode het meer dan één keer gebruiken van de startersvrijstelling niet worden vastgesteld.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021. Daarbij moet worden geaccepteerd dat de Belastingdienst alleen beperkt toezicht kan uitoefenen totdat het aangiftebericht zodanig is aangepast dat aangifteverwerking en toezicht op gestructureerde (en digitale) wijze kunnen plaatsvinden. Naar verwachting zijn deze aanpassingen 1 januari 2023 gereed.

E. Wetsvoorstel Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen

Dit wetsvoorstel ziet op de volgende punten:
• Proportioneel vaststellen en matigen van een terugvordering en renteberekening bij terugvordering
• Voorkomen doorwerken matiging op aansprakelijk gestelde derde
• Introductie doelmatigheidsgrens
• Naar voren brengen van een zienswijze door belanghebbende
• Aanvullende waarborgen ter verbetering van de rechtspositie bij informatieverplichtingen en aanvullende waarborg bij verzuimboete wegens niet nakomen informatieverplichting
• Verplichting tot informatieverstrekking voor derden
• Een uitgebreidere motivering in een boeterapport en het geven van een zienswijze bij oplegging vergrijpboete
• Kwijtschelding op termijn
• Geen kwijtschelding
• Schrijnende situaties door toeslagenpartnerschap
• Schrijnende situaties door toeslagenpartnerschap – opname in verzorgings- of verpleeghuis
• Onverzekerdheid partner

Proportioneel vaststellen en matigen van een terugvordering en renteberekening bij terugvordering

Beschrijving voorstel/regeling
Naar aanleiding van de arresten van de Raad van State van 23 oktober 2019 is aanvullende wetgeving in het Toeslagendomein noodzakelijk om enkele hardheden van het stelsel te verzachten en herstel van de gedupeerden mogelijk te maken. Vooruitlopend op codificatie in wetgeving worden de volgende maatregelen genomen.

1. Matiging van de terugvordering van toeslagen (onderdeel 2.1 Verzamelbesluit); de Belastingdienst moet op grond van artikel 3:4, eerste lid, Awb de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen en onder bijzondere omstandigheden van terugvordering afzien of het terug te vorderen bedrag matigen. Voor deze regeling wordt ook de herziening geregeld van op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande terugvorderingsbeschikkingen kinderopvangtoeslag, met een terugvordering van €1.500 of meer, met terugwerkende kracht tot en met 5 jaar.

2. Proportioneel vaststellen van kinderopvangtoeslag (onderdeel 3.1 Verzamelbesluit): de Belastingdienst kan het recht op kinderopvangtoeslag naar rato van het bedrag aan kosten vaststellen als de ouder een deel van de kosten van kinderopvang heeft betaald. Ook hier wordt de herziening van op 23 oktober 2019 onherroepelijk vaststaande tegemoetkomingen, met een terugvordering van €1.500 of meer, geregeld met terugwerkende kracht tot en met 5 jaar.

Ingeschat wordt dat circa 4.500 burgers in aanmerking komen voor het matigen van de terugvordering en circa 5.500 burgers mogelijk recht hebben op herstel in het kader van proportionaliteit. In de toekomst zullen naar verwachting niet meer dan enkele tientallen verzoeken op jaarbasis worden ontvangen voor het matigen van de terugvordering waarbij een beroep op bijzondere omstandigheden zal worden gehonoreerd.

De burger en de Belastingdienst hebben een gemeenschappelijke inspanningsverplichting om bewijsstukken te verzamelen. Hiervoor wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de bestaande processen voor bijvoorbeeld ontvangst, verwerking en archivering van fysieke stukken. Voor beide regelingen moet een robuuste, bestendige en gestructureerde vastleggingsfunctionaliteit worden gerealiseerd.

De uitvoering van de herstelregelingen verloopt in drie fasen: melding door burger, beoordeling en uitbetaling. Burgers moeten zichzelf melden als ze in aanmerking menen te komen voor de herstelregeling. In deze fase wordt de mogelijkheid geboden om afspraken te maken op kantoor of op een andere locatie om burgers zo goed mogelijk te helpen bij de aanmelding, door direct een eerste analyse te doen van de situatie van burgers. Bij alle ouders die zich melden is een individuele beoordeling nodig of zij daadwerkelijk in aanmerking komen voor herstel. Alle burgers krijgen bij aanmelding de gelegenheid om aanvullende bewijsstukken aan te leveren. De beoordelingsfase is een zeer arbeidsintensief proces, omdat het maatwerk vraagt en complex is. Voor deze beoordeling is hooggekwalificeerd personeel nodig. Na de beoordelingsfase volgt uitbetaling.

Met terugwerkende kracht proportioneel vaststellen, op verzoek van de burger, is een nieuw proces en dit moet worden ingericht. Dit proces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). Om deze regeling te kunnen uitvoeren moet worden geborgd dat gebruik kan worden gemaakt van informatie en faciliteiten van andere onderdelen van de Belastingdienst.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 23 april 2020.

Voorkomen doorwerken matiging op aansprakelijk gestelde derde

Beschrijving voorstel/regeling
Deze wijziging heeft betrekking op de aansprakelijkheid van derden voor een terugvordering die voor de burger gematigd is. Het aansprakelijk kunnen stellen van een derde wordt reeds geregeld in het huidige artikel 33 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en heeft betrekking op situaties waarbij een derde kan beschikken over een bankrekening waarop een voorschot of een tegemoetkoming is uitbetaald, voor zover dat bedrag is betaald op die bankrekening.

Met voorgestelde wijziging werkt de matiging van de terugvordering voor de belanghebbende, zoals geregeld in artikel 26 Awir, niet door op de derde. De derde kan aansprakelijk worden gesteld voor het gedeelte van de matiging van de terugvordering.

De verwachting is dat het aantal aansprakelijkstellingen in het geval van een gematigde vordering slechts enkel keren per jaar voor zal komen. De omvang van de doelgroep is zeer gering. Deze wijziging heeft geen effect op de interactie met de belanghebbende.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Introductie doelmatigheidsgrens

Beschrijving voorstel/regeling
Voor kleine terugvorderingen wordt een doelmatigheidsgrens toegepast conform het bedrag genoemd in artikel 9.4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (in 2020: € 47).
Deze maatregel wordt geëffectueerd bij de definitieve toekenning van toeslagen.

De doelmatigheidsgrens moet worden verwerkt in de toeslagbeschikkingen. Naar verwachting leidt de toepassing van de doelmatigheidsgrens tot meer interactie via onder meer de Belastingtelefoon, met name door burgers die net buiten de doelmatigheidsgrens vallen. De Belastingdienst gaat intermediairs en hulpverleners instrueren over de doelmatigheidsgrens. Voor circa 300.000 kleine terugvorderingen hoeft geen inningsbrief meer te worden verstuurd.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per toeslagjaar 2021.

Naar voren brengen van een zienswijze door belanghebbende

Beschrijving voorstel/regeling
Met het voorstel krijgen burgers de gelegenheid hun zienswijze te geven voorafgaand aan de definitieve vaststelling van hun toeslag indien voor hen nadelige gevolgen kunnen ontstaan die mogelijk onevenredig zijn in verhouding tot de met de vaststelling te dienen doelen.
De verplichting om burgers in de gelegenheid te stellen hun zienswijze te verstrekken, geldt in elk geval als de definitieve vaststelling van een toeslag leidt tot een terug te vorderen bedrag van ten minste € 1.500 per berekeningsjaar.

Let op!
De systemen van de Belastingdienst kunnen voor toepassing bij definitieve vaststelling voor toeslagjaar 2021 gereed zijn. Bij terugvorderingen over toeslagjaar 2020 en eerder kan niet om een zienswijze worden gevraagd.

Let op!
Het voorstel wijzigt niets aan de vereisten waaraan een aanvraag moet voldoen. Wel stelt de wijziging in het proces B/Toeslagen beter in staat een belangenafweging te maken. Invoeringsmoment

Invoering is mogelijk per: toeslagjaar 2021.

Aanvullende waarborgen ter verbetering van de rechtspositie bij informatieverplichtingen en aanvullende waarborg bij verzuimboete wegens niet nakomen informatieverplichting

Beschrijving voorstel/regeling
De Belastingdienst /Toeslagen kan een beschikking met mogelijk vergaande gevolgen voor de burger slechts vaststellen indien aannemelijk wordt gemaakt dat een redelijkerwijs te vergen inspanning heeft plaatsgevonden om de persoon die niet heeft voldaan aan de informatieverplichting in de gelegenheid is gesteld alsnog de gevraagde gegevens en inlichtingen binnen een redelijke termijn te verstrekken voordat die persoon is aangemaand.

De burger krijgt meer gelegenheid relevante stukken op te sturen. B/Toeslagen zal de burger niet alleen schriftelijk maar ook telefonisch benaderen. Belangrijke voorwaarde is dat het telefoonnummer van de burger beschikbaar is.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2022.

Verplichting tot informatieverstrekking voor derden

Beschrijving voorstel/regeling
Het wetsvoorstel bevat twee maatregelen met betrekking tot de informatielevering door derden:
• uitbreiding van de mogelijkheid om bij derden informatie op te vragen;
• mogelijkheid van spontane informatielevering door derden.

Deze maatregelen bieden de wettelijke grondslag voor B/Toeslagen om betrouwbare contra-informatie op te vragen en spontaan aangeleverd te krijgen. Specifiek voor spontane informatielevering door derden geldt dat dit nu reeds mogelijk is. Op voorhand is niet in te schatten of op basis van dit voorstel vaker gebruik gemaakt wordt van deze mogelijkheid. Om dit voorstel te realiseren dienen werkinstructies, handboek, behandelkader en dialoogondersteunende informatie te worden aangepast. Medewerkers moeten worden geïnstrueerd en intermediairs op de hoogte worden gesteld.

Op basis van de bestaande wetgeving vraagt de Belastingdienst reeds informatie uit bij derden. Daarvoor is binnen de Belastingdienst een proces ingeregeld. Met dit voorstel worden de mogelijkheden uitgebreid. Voor deze uitbreiding wordt aangesloten bij de bestaande processen.

Let op!
Met dit voorstel kunnen daarnaast derden worden verplicht spontaan gegevens te leveren. In beleids-/uitvoeringsregels kan worden gespecificeerd welke (groepen) derden hiertoe verplicht worden. Bij de toepassing van de regeling moet nadrukkelijk rekening gehouden worden met AVG-richtlijnen.

Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Een uitgebreidere motivering in een boeterapport en het geven van een zienswijze bij oplegging vergrijpboete

Beschrijving voorstel/regeling
Het wetsvoorstel bevat twee wijzigingen ten aanzien van vergrijpboetes:
• invoeren van een vergrijpboete voor het niet nakomen van de informatieverplichting door administratieplichtigen;
• invoeren van een boeterapport bij een vergrijpboete.

Met dit voorstel is het beter mogelijk te handhaven op administratieplichtigen die (bewust) hun verplichtingen niet nakomen. De verwachting is dat jaarlijks enkele honderden boetes worden opgelegd. De criteria moeten helder zijn in de brief die naar de administratieplichtige wordt gestuurd en B/Toeslagen is verplicht zijn zienswijze uit te vragen en hiervoor te rappelleren. Een sluitend dossier is nodig alvorens een boete wordt opgelegd.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021, waarbij wordt uitgegaan van circa 200 vergrijpboetes per jaar. Op termijn zal dit aantal naar verwachting toenemen.

Kwijtschelding op termijn

Beschrijving voorstel/regeling
Met de voorgestelde wijziging van artikel 31 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) wordt geregeld dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld op basis waarvan gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend van het bedrag van de terugvordering, de met die terugvordering samenhangende rente, bedoeld in de artikelen 27 en 29 Awir, en vervolgingskosten alsmede het bedrag van een bestuurlijke boete, ingeval de belanghebbende niet in staat is anders dan met buitengewoon bezwaar dit bedrag geheel of gedeeltelijk te betalen.

De doelgroep bestaat uit burgers waarbij de middelen om een terug te vorderen bedrag te betalen ontbreken en waarbij die middelen ook niet binnen afzienbare tijd kunnen worden verwacht. Ook burgers die geen recht hebben op kwijtschelding kunnen een verzoek indienen. Deze verzoeken moeten ook worden beoordeeld. Omdat de uitwerking in de ministeriële regeling nog niet bekend is, is niet helder wie in aanmerking komen voor kwijtschelding en welke communicatie en interactie gewenst is.
Invoering van kwijtschelding vergt de inrichting van een geheel nieuw proces in de geautomatiseerde systemen.

Invoeringsmoment
De implementatie van kwijtschelding is vooralsnog voorzien bij de inwerkingtreding van de wetgeving Stroomlijnen. Dit is niet eerder mogelijk dan na uitfaseren ETM en na de benodigde tijd voor implementatie van kwijtschelding in de geautomatiseerde systemen. Inwerkingtreding is daarom niet eerder mogelijk dan na 1 januari 2023.

Geen kwijtschelding

Beschrijving voorstel/regeling
Met dit voorstel wordt een uitzonderingsbepaling opgenomen in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) waardoor in afwijking van de wettelijke voorschriften in de Algemene wet bestuursrecht een bedrag van een terugvordering toeslagen niet geheel of gedeeltelijk kan worden kwijtgescholden. De reden hiervoor is dat de benodigde aanpassingen in de automatisering voor de kwijtscheldingsbevoegdheid op korte termijn niet kunnen worden gerealiseerd.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Schrijnende situaties door toeslagenpartnerschap

Beschrijving voorstel/regeling
Het wetsvoorstel bevat maatregelen om schrijnende situaties door partnerschap te verminderen. Onder meer:
• De uitzondering voor zakelijke huur is ook van toepassing in situaties waarin twee personen beiden met een derde een zakelijke huurovereenkomst hebben.
• Knip in het toeslagjaar: partnerschap ontstaat niet meer met terugwerkende kracht naar het begin van het kalenderjaar, maar per de eerste van de maand volgend op een relevante gebeurtenis.
De maatregelen dragen bij aan de toekenningszekerheid en aan het vergroten van de menselijke maat.

Invoeringsmoment Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Schrijnende situaties door toeslagenpartnerschap – opname in verzorgings- of verpleeghuis

Beschrijving voorstel/regeling
Deze maatregel moet schrijnende situaties als gevolg van opname in een verzorgings- of verpleeghuis voorkomen. De achterblijvende gehuwde partner van iemand die in een verpleeghuis verblijft, kan verzoeken niet als toeslagpartner te worden aangemerkt. Voor ongehuwde partners was dit reeds mogelijk. De maatregel kan bijdragen aan de menselijke maat.

Let op!
Er is een risico op grote terugvorderingen, wanneer wijzigingen niet (tijdig) worden doorgegeven.
Dit kan tot meer onzekerheid voor de burger leiden. Ook omdat pas achteraf kan worden vastgesteld hoe lang het verblijf precies heeft geduurd. Ontslag uit een verpleeghuis betekent niet altijd dat de partner (weer) in staat is voor de kinderen te zorgen. Met deze factor is in de regeling geen rekening gehouden.

Nadat de partner uit het verpleeghuis is thuisgekomen, herleeft het toeslagpartnerschap. Als de partner nog niet aan het werk gaat en thuis verder herstelt, wordt hij geacht voor de kinderen te zorgen en is er geen recht op kinderopvangtoeslag. Waar bij thuiskomst verder herstel nodig is, zal dat in de praktijk echter niet zo worden ervaren, met als risico dat de wijziging niet wordt doorgegeven en het recht op kinderopvangtoeslag ten onrechte doorloopt, ook met een hoge terugvordering als gevolg. Deze risico’s zijn extra aanwezig in situaties waarin burgers als gevolg van de opname in een verpleeghuis in een stressvolle situatie verkeren waardoor zij er niet aan denken, of niet aan toe komen om relevante wijzigingen tijdig door te geven.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2022.

Onverzekerdheid partner

Beschrijving voorstel/regeling
Voor de toekenning van de zorgtoeslag verdwijnt het onderscheid tussen het terecht of terecht onverzekerd zijn van de partner. Een verzekerde aanvrager met een onverzekerde partner kan hiermee aanspraak maken op 50% van een tweepersoonstoekenning ongeacht de reden van het niet-verzekerd zijn van de partner. In het geval dat de onverzekerde partner aanvraagt, wordt de aanvraag overgezet op de wel-verzekerde partner.

De doelgroep betreft naar verwachting 4.500–5.000 aanvragers. Burgers in deze situatie die bekend zijn bij B/Toeslagen worden geattendeerd met een brief. Burgers die niet bekend zijn worden geattendeerd via de generieke kanalen.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

F. Wetsvoorstel Wet CO2-heffing industrie

Beschrijving voorstel/regeling
Het wetsvoorstel CO2-heffing industrie bevat de uitwerking van aangekondigde CO2-heffing industrie in het Klimaatakkoord. Het kabinet wil met de nationale CO2-heffing zeker stellen dat de ambitieuze klimaatdoelstellingen uit het Klimaatakkoord ook daadwerkelijk behaald worden.

De heffing geldt vanaf 2021 en voor de industrie die onder Europese CO2- emissiehandel valt. De doelstelling is een reductie van 14,3 Mton CO2. De heffing kent een lineair oplopend tarief. Het prijspad is nog voorlopig. In het wetvoorstel is aangegeven dat het tarief oploopt vanaf 2021 van €30,- naar €125,– in 2030. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) zal in de loop van oktober 2020 meer inzicht bieden in het tarief.

De grondslag voor de heffing is de CO2-uitstoot minus een afnemende vrijgestelde voet. Alleen de emissies boven de vrijgestelde voet zijn belast. Een bedrijf krijgt vrijgestelde emissies in de vorm van dispensatierechten. Bedrijven die flinke reducties weten te realiseren, kunnen deze verrekenen over de overige jaren (tijdvak van 5 jaar) om zo de heffing terug te ontvangen. Ook bestaat de mogelijkheid om de dispensatierechten te verhandelen in geval van een flinke reductie in een bepaald jaar.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

G. Wetsvoorstel ODE-tarieven 2021 en 2022

Beschrijving voorstel/regeling
De tarieven voor de opslag duurzame energie- en klimaattransitie (ODE) op gas en elektriciteit voor het jaar 2021 en 2002 worden vastgesteld. De tariefstructuur blijft ongewijzigd. Het kabinet kan voorstellen doen de tarieven voor het jaar 2022 alsnog te wijzigen

Energieleveranciers, burgers en bedrijven krijgen via de energierekening te maken met de genoemde tarieven.

De vastgestelde ODE-tarieven voor het jaar 2020 hebben in sommige sectoren geleid tot weerstand en zelfs een oproep tot het indienen van bezwaarschriften. De voorgestelde ODE-tarieven voor 2021 zijn hoger dan in 2020. Voor nu is het niet vast te stellen of deze verhoging een vergelijkbaar effect gaat krijgen.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

H. Wetsvoorstel eenmalige huurverlaging huurders met lager inkomen

Beschrijving voorstel/regeling
Nieuw in te richten eenmalig voor 1 jaar proces voor huurverlaging voor huurder(s) met een laag inkomen. Het is de bedoeling dat een groep huurders met een laag inkomen een eenmalige huurverlaging krijgen van de verhuurder. Beroep en bezwaar door de burger wordt op dezelfde wijze als nu bij de inkomensafhankelijke huurverhoging (IAH) ingericht.

Het portaal van de inkomensafhankelijke huurverhoging wordt aangepast om de inkomensafhankelijke communicatie met de corporaties over de inkomensafhankelijke huurverlaging mogelijk te maken. Het portaal wordt gehost bij een externe partij. De verwerking van de verzoeken vindt handmatig plaats. Om fouten te voorkomen wordt gestreefd naar toepassing van het 4-ogenprincipe. De vormgeving in coronatijd wordt verder uitgezocht.

Let op!
Het gevolg van de huurverlaging kan zijn dat het recht op huurtoeslag voor toeslaggerechtigden lager wordt. Als toeslaggerechtigden zelf niet een mutatie aan B/Toeslagen doorgeven, worden zij na afloop van het jaar geconfronteerd met een terugvordering door B/Toeslagen. Dit past niet bij de koers van B/Toeslagen die is gericht op het nastreven van toekenningszekerheid en het voorkomen van terugvorderingen. Met BZK is afgesproken dat in samenwerking met BZK en de woningbouwcorporaties wordt bezien hoe de gevolgen voor de huurtoeslag van de huurders zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen.

Let op!
De wetgever heeft een aantal keuzes gemaakt bij de vormgeving van de regeling met betrekking tot het inkomen van inwonende kinderen en de definitie van het partnerbegrip. Gevolg hiervan kan zijn dat er een samenloop ontstaat waarbij binnen 1 huishouden zowel de inkomensafhankelijke huurverhoging als de inkomensafhankelijke huurverlaging van toepassing is. Indien een huishouden zowel in een verzoek voor de inkomensafhankelijke huurverlaging als in een verzoek voor de inkomensafhankelijke huurverhoging bij de Belastingdienst wordt aangeboden, geeft de Belastingdienst in beide gevallen terug dat de desbetreffende regeling van toepassing is.

Invoeringsmoment
Invoering is mogelijk per: 1 januari 2021.

Gepubliceerd: 16 september 2020